Naar de snelwegen en zijwegen

De Wereld Ingaan - Gebedsweek December 2025

Naar de snelwegen en zijwegen

Door Daniel Balbach, USA. Woensdag, 10 december 2025.

Jezus vertelt een interessante gelijkenis: “Maar Hij zeide tot hem: Een zeker mens bereidde een groot avondmaal, en hij nodigde er velen. En hij zond zijn dienstknecht uit ten ure van het avondmaal, om de genodigden te zeggen: Komt, want alle dingen zijn nu gereed. En zij begonnen allen zich eendrachtig te verontschuldigen. De eerste zeide tot hem: Ik heb een akker gekocht, en het is nodig, dat ik uitga, en hem bezie; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd. En een ander zeide: ik heb vijf juk ossen gekocht, en ik ga heen, om die te beproeven; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd. En een ander zeide: Ik heb een vrouw getrouwd, en daarom kan ik niet komen. En die dienstknecht weergekomen zijnde, boodschapte deze dingen zijn heer. Toen werd de heer des huizes toornig, en zeide tot zijn dienstknecht: Ga haastig uit in de straten en wijken der stad en breng de armen, en verminkten, en kreupelen, en blinden hier in. En de dienstknecht zeide: Heer, het is geschied, gelijk hij bevolen hebt, en nog is er plaats. En de heer zeide tot de dienstknecht: Ga uit in de wegen en heggen; en dwing ze in te komen, opdat mijn huis vol worde. Want ik zeg u, dat niemand van die mannen, die genodigd waren, mijn avondmaal smaken zal.” (Lukas 14:16-23).

Wie zijn de eerste twee groepen, die voor dit avondmaal worden uitgenodigd, en wat betekent het? “Met de grote maaltijd stelt Christus de zegeningen van het evangelie voor. Christus zelf is de voorziening. Hij is het brood, dat uit de hemel neerdaalt. Van Hem komen de stromen van zaligheid. De boodschappers des Heren hadden aan de Joden de komst van de Heiland aangekondigd. Zij hadden op Christus gewezen als ‘het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt’ (Johannes 1:29). In het feestmaal, dat God aanbood, gaf Hij de grootste gave, die de hemel kan geven, een gave die het voorstellingsvermogen te boven gaat. Gods liefde had in dit feestmaal voorzien en onuitputtelijke bronnen verschaft. ‘Wie van dit brood eet,’ had Christus gezegd, ‘zal eeuwig leven’ (Johannes 6:51).” –Lessen uit het Leven van Alledag, blz. 132.

Uit het bovenstaande citaat begrijpen we twee mooie punten:

  1. De uitnodiging werd in eerste instantie gegeven aan de Joden, die de christenen nu zouden vertegenwoordigen als Gods uitverkoren volk. “En indien gij van Christus zijt, zo zijt gij dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen” (Galaten 3:29).

  2. Als Gods dienaren en boodschappers aan de wereld hebben we het voorrecht de wereld uit te nodigen om het gratis geschenk van het brood des levens, dat Christus Zelf is, te ontvangen. “En Jezus zeide tot hen: Ik ben het Brood des levens; die tot Mij komt, zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten” (Johannes 6:35).

Het Joodse volk verwierp de uitnodiging vanwege hun geestelijke toestand, in de veronderstelling dat ze “Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb aan geen ding gebrek” (Openbaring 3:17). De uitnodiging werd vervolgens aan een tweede groep mensen gegeven. De meester zegt vervolgens tegen de dienaar in Lukas 14:21: “Ga haastig uit in de straten en wijken der stad en breng de armen, en verminkten, en kreupelen, en blinden hier in.” Dit is niet zozeer letterlijk bedoeld als wel geestelijk. Als degenen die Gods volk vandaag de dag vertegenwoordigen de geestelijk rijken zijn, dan moeten degenen in de straten en stegen degenen zijn die geestelijk arm, kreupel en blind zijn.

“De slaaf, die de armen en blinden binnenbracht, zei tot zijn heer: ‘Wat gij hebt opgedragen, is geschied en nog is er plaats. En de heer zeide tot de slaaf: Ga de wegen en de paden op en dwing hen binnen te komen, want mijn huis moet vol worden. Hier wees Christus op het werk van het evangelie buiten de grenzen van het Judaïsme, op de wegen en paden der wereld.” –Lessen uit het Leven van Alledag, blz. 134.

Hoe zit het met de laatste twee groepen, die in de gelijkenis worden genoemd, de snelwegen en heggen (of landwegen)? Deze groepen worden door de Inspiratie aangeduid als de mensen van de wereld, zij die buiten ons geloof staan.

Tijdens recente zendingstrainingen in verschillende gemeenten heb ik onze inspanningen, of het gebrek daaraan, benadrukt om mensen buiten ons geloof te bereiken. Aan het begin van een les vroeg ik de studenten om rond te kijken en te bepalen hoeveel mensen in de zaal nieuwe gelovigen van buiten de gemeente waren, die de afgelopen vijf jaar waren verwelkomd. In die grote groep waren er slechts een of twee, die recent tot geloof waren gekomen vanuit “de wereld”. Dit roept een kritische vraag op voor ieder van ons: zijn wij, als dienaren van Christus, actief bezig anderen uit te nodigen voor het grote feestmaal, waar Jezus Zelf het brood des levens is?

We vragen ons misschien af: “Hoe moet ik dit werk doen? En specifiek, wie in de wereld moet ik bereiken?” We voelen ons misschien onzeker over het bereiken van mensen met verschillende achtergronden, of ze nu hoogopgeleid, rijk of misschien een andere overtuiging hebben dan de traditionele christelijke leer. Sommigen voelen zich misschien ver verwijderd van religieuze gemeenschappen vanwege persoonlijke keuzes, een zondige levensstijl of culturele perspectieven. Vaak bestaat er twijfel of zulke mensen wel geïnteresseerd zijn in geestelijke zaken of openstaan voor een kerk.

Velen van ons zouden kunnen aannemen dat het waarschijnlijk niet eens juist of gepast zou zijn om zulke mensen mee naar de gemeente te nemen. Deze twijfels kunnen ontstaan bij het overwegen van evangelisatie. Om deze twijfels weg te nemen, is het waardevol om na te denken over wat de Inspiratie te zeggen heeft over de eerste groep, die wordt uitgenodigd voor het evangeliefeest, degenen op de ‘snelwegen’.

De snelwegen

“De uitnodiging tot de maaltijd werd eerst aan het Joodse volk gegeven, aan de mensen die geroepen waren als leraars en leiders onder de mensen, die de boekrollen der profeten hanteerden, waarin de komst van de Christus werd aangekondigd. Zij hadden de zinnebeeldige dienst toevertrouwd gekregen die Christus’ werk vooraf schaduwde. Als priesters en volk aan deze oproep gehoor hadden gegeven, zouden zij zich met Christus’ boodschappers verenigd hebben om het evangelie aan de wereld te verkondigen. De waarheid was hun gezonden om deze door te geven. Toen zij weigerden gehoor te geven aan de oproep, werd deze gericht tot de armen en blinden, de verlamden en de kreupelen. Tollenaars en zondaars namen de uitnodiging aan.

Als de uitnodiging van het evangelie aan de heidenen wordt gericht, is er sprake van dezelfde werkmethode. De boodschap moet eerst worden gebracht ‘op de hoofdwegen’, aan mensen die een belangrijk aandeel hebben in het werk op aarde, aan leraars en leiders van het volk. Gods boodschappers moeten dit voor ogen houden. Dit moet onder de aandacht worden gebracht van de herders der kudde, van de door God geroepen leraars, als een woord waarop acht dient te worden geslagen. Zij, die tot de betere standen in de maatschappij behoren, moeten met tedere genegenheid en broederlijk ontzag worden opgezocht. Mensen in het zakenleven, op verantwoordelijke posities, mensen met grote bekwaamheden en wetenschappelijk inzicht, begaafde mensen, leraars van het evangelie van wie de aandacht nog niet is gericht op de bijzondere waarheden voor deze tijd, al deze mensen moeten eerst de uitnodiging vernemen. Eerst moet de oproep tot hen worden gericht.

Er moet gewerkt worden voor de rijken. Zij moeten wakker geschud worden wat betreft hun verantwoordelijkheid als mensen aan wie Gods gaven zijn toevertrouwd. Zij moeten eraan worden herinnerd, dat zij rekenschap moeten afleggen aan Hem, die levenden en doden zal oordelen. De welgestelden hebben behoefte aan het werk, dat u in de liefde en vreze des Heren doet. Maar al te vaak vertrouwen zij op hun rijkdom en zijn zich niet van hun gevaar bewust. De ogen van hun verstand moeten gericht worden op dingen van eeuwigheidswaarde…

Zij, die als gevolg van hun positie, rijkdom of opvoeding een vooraanstaande plaats in de wereld innemen, worden zelden persoonlijk aangesproken over het welzijn van hun geestelijk leven. Veel christenen schromen om deze mensen te benaderen. Dit mag niet het geval zijn.” –Lessen uit het Leven van Alledag, blz. 136-137.

Een dierbare vriend van mijn vader behoorde tot deze groep. Helaas was ik ten tijde van mijn vaders overlijden nog steeds “van de wereld”. Toch voelde ik me, nadat ik tot geloof was gekomen en Bijbelarbeider was geworden, genoodzaakt contact op te nemen met de vriend van mijn vader. Hij is een vriendelijk persoon, dus ik bezocht hem vaak thuis en we aten samen. Naarmate onze vriendschap voortduurde, zocht ik bij de Heer naar een manier om het evangelie met hem te delen, aangezien hij agnostisch was. Als ik bij hem thuis op bezoek kwam, liet hij me zijn pottenbakkersschijf en -oven zien, omdat hij hield van pottenbakken als hobby. Meerdere keren vroeg hij, of ik met hem zou willen pottenbakken, maar ik sloeg het altijd af, omdat ik daar geen interesse in had. Ondertussen, terwijl we elkaar bleven bezoeken, bad ik om een manier te vinden om het evangelie met hem te delen. Toen, op een dag, terwijl ik aan het bidden was, kreeg ik de ingeving om zijn aanbod om samen te pottenbakken aan te nemen, in het besef dat dit een eerste stap zou kunnen zijn om het evangelie te delen.

Toen ik deze man vertelde, dat ik graag pottenbakken wilde leren, was hij erg blij. De allereerste keer, dat we daar waren, hadden we een geweldige ervaring samen, en geloof het of niet, ik kon een aantal geestelijke toepassingen delen van hoe Christus de pottenbakker is en wij de klei zijn. Na deze tijd samen kon ik hier en daar wat zaadjes van het evangelie zaaien, en onze vriendschap verdiepte zich. Ik begon echt meer te begrijpen van Christus’ methode om zielen te winnen:

“Christus’ methode alleen kan het ware succes opleveren in het bereiken van mensen. De Zaligmaker mengde Zich onder de mensen als iemand, die naar hun welzijn streefde. Hij toonde Zijn sympathie, voorzag in hun noden en won hun vertrouwen. En dan gebood Hij hen: “Volg Mij.” –De Weg tot Gezondheid, blz. 111. Dit houdt in, dat relaties zich verdiepen en men iemands vertrouwen wint. Naarmate we een hechtere vriendschap met iemand ontwikkelen, kunnen we het evangelie beter delen. Nu, na tien jaar, zijn deze man en ik nog steeds goede vrienden, en ik blijf zaadjes van waarheid planten, in het vertrouwen dat hij ooit in het koninkrijk der hemelen zal zijn.

Inspiratie vertelt ons, dat Christus veel moeite heeft gestoken in deze specifieke groep mensen, en ons wordt ook getoond, hoe Hij hen heeft bereikt. “Hij zocht kennis te maken met de in weelde levende en ontwikkelde Farizeeën, Joodse edellieden en de Romeinse heersers. Hij aanvaardde hun uitnodigingen, woonde hun feesten bij, maakte zich bekend met hun belangen en bezigheden, zodat Hij toegang kon vinden tot hun harten en hun de onvergankelijke rijkdommen kon tonen.” –De Weg tot Gezondheid, blz. 17.

De zijwegen

Ons wordt ook verteld om contact te zoeken met degenen, die zich op de “zijwegen” of “heggen” bevinden. Sprekend vanaf de tijd van Mozes, vermeldt de Bijbel: “De vreemdeling, de wees en de weduwe die in uw poorten zijn, en zullen eten en verzadigd worden” (Deuteronomium 14:29). De inspiratie vertelt ons: “Maar wij moeten niet alleen denken aan grote en begaafde mensen met voorbijgaan van de armere klassen. Christus draagt Zijn boodschappers op om ook te gaan naar ‘de paden,’ naar de armen en nederigen op aarde. In de stegen en uithoeken van de grote steden, in de eenzaamheid op het land zijn gezinnen en enkelingen, misschien vreemdelingen in een vreemd land, die geen binding hebben met een kerk en die in hun eenzaamheid het gevoel krijgen dat God hen heeft verlaten.” –Lessen uit het Leven van Alledag, blz. 138.

Het loslaten van onze vooroordelen

Als tiener was ik zo’n vijf uur per dag aan het colporteren om mijn kostschoolgeld te betalen. Onze docent leerde ons veel goede principes, die we terugvinden in de gelijkenis van het grote avondmaal. Een daarvan is, dat we in buurten van alle klassen moeten colporteren, niet alleen de buurten waar we waarschijnlijk het meest zouden verkopen. De ene dag gingen we naar de rijke buurten, de volgende dag naar de middenklasse en weer een andere dag naar de arme buurten.

Toen ik op een dag in een arme buurt aan het werk was, had ik een verhelderende ervaring. Toen ik naar de voordeur liep, vielen mij dingen op die wezen op de aanwezigheid van een aantal ruwe types in dit huis. Omdat ik ben opgegroeid in de agglomeratie Los Angeles, Californië, herkende ik een kenmerkende geur, en jawel hoor, het was echt waar, toen de deur openging, zag ik een groep mannen in de woonkamer alcohol drinken en marihuana roken. Aan de kleuren en het soort kleding zag ik ook, dat dit waarschijnlijk bendeleden waren. Toen ik aan mijn colportage begon, was mijn eerste gedachte dat er tegen me gezegd zou worden: “Geen interesse!” en dat de deur voor mijn neus dichtgeslagen zou worden. Maar dat was niet het geval. … Ik kon alle vier of vijf boeken, die ik in mijn hand had doornemen, terwijl de man geduldig luisterde. Toen ik klaar was, zei hij: “Een momentje”, en kwam terug met een briefje van twintig dollar, en zei: “Die neem ik”, wijzend naar een geestelijk boek. Toen ik hem zijn wisselgeld wilde geven (aangezien de boeken in die tijd maar tien dollar kostten), zei hij: “Hou het wisselgeld maar, blijf doen wat je doet, en God zegene je!”

Terwijl ik dat huis verliet, dacht ik na over de zeer waardevolle les, die ik had geleerd. Toen ik voor het eerst bij het huis aankwam, had ik een aantal vooroordelen. Vooral nadat de deur was opengegaan, dacht ik: “Waarom heb ik hier aangeklopt? Deze mensen doen overduidelijk dingen, die in strijd zijn met God en Zijn woord, dus waarom zou ik zowel mijn tijd als die van hen verspillen door iets te delen, waar ze toch niet in geïnteresseerd zouden zijn?” Maar nergens in de Bijbel staat, dat we zulke vooroordelen over zielen moeten hebben. De Bijbel gebiedt ons simpelweg om de verlorenen te zoeken en te redden (Lukas 19:10).

Omdat ons belangrijke dingen waren geleerd over het colporteren, zoals netjes gekleed gaan, onze colportagemethode grondig kennen en goed oogcontact houden, geloof ik dat dit indruk maakte op de man. Misschien dacht hij: “Zo moet ik mijn leven leiden”, of misschien: “Laat me deze jongeman steunen, want hij is op het juiste pad.” Ik geloof ook, dat er met het boek een zaadje was geplant, en dat hij zelf op het juiste pad wilde komen.

“God heeft met name geboden, dat wij rekening moeten houden met de vreemdeling, de uitgeworpene en de arme, die moreel zwak is. Velen, die onverschillig schijnen voor godsdienstige dingen, verlangen diep in hun hart naar rust en vrede. Hoewel zij wellicht diep in de zonde gezonken zijn, bestaat de mogelijkheid hen te redden…

Vertel de wanhopigen, die afgedwaald zijn, dat zij niet behoeven te wanhopen. Hoewel zij gedwaald hebben en geen goed karakter hebben gevormd, wil God hen graag herstellen in de vreugde van Zijn zaligheid. Hij neemt graag schijnbaar hopeloos materiaal, mensen die Satan heeft gebruikt, om hen tot voorwerpen van Zijn genade te maken. Het is Zijn blijdschap om hen te bevrijden van de toorn, waardoor de ongehoorzamen getroffen zullen worden. Zeg hen dat er genezing is, dat elk mens gereinigd kan worden. Voor hen is plaats aan de tafel des Heren. Hij wacht om hen te verwelkomen.” –Lessen uit het Leven van Alledag, blz. 139.

Nog een in de “zijwegen” of “heggen”

Een ander bijzonder verhaal over een dierbare ziel in de “heggen” kwam later naar boven, toen ik een colporteursprogramma leidde in de staat Washington. Er was een jonge zuster genaamd Daisy in het programma (ik mag haar voornaam gebruiken). Ze was erg enthousiast om te ervaren en te leren, hoe je campagne kunt voeren, aangezien dit haar eerste keer was. Ze wilde graag zielen bereiken, en omdat de colporteurs een deel van hun inkomsten mogen houden, was ze ook enthousiast om wat geld te verdienen voor de zendingsschool.

Op een dag, toen we allemaal aan het colporteren waren, zag ik tot mijn verbazing, dat Daisy enorm opgewonden en zelfs extatisch was. (Normaal gesproken was ze vrij stil en beheerst.) Het bleek, dat ze een fantastische ervaring had gehad met een dame, die net een paar boeken had gekocht door haar een papieren lunchzak vol geld te geven om ze te betalen. In totaal zat er ongeveer $350 in de zak, in verschillende coupures.

Verbaasd vroegen de andere colporteurs Daisy naar deze vrouw. Was ze rijk? “Nee,” antwoordde Daisy. “Ze is precies het tegenovergestelde, en ze leeft niet in de beste omstandigheden.” Op dat moment voelde ik de drang om de vrouw te bezoeken om haar te bedanken voor haar genereuze bijdrage aan Daisy en om te vragen of ik haar contactgegevens kon krijgen, zodat de plaatselijke predikant contact met haar kon opnemen. Terwijl Daisy de locatie van het huis doorgaf, parkeerde ik aan de overkant van de straat van een vervallen huis en liep naar de deur. Op de veranda stond een meisje van ongeveer 12 jaar oud, blootsvoets en onverzorgd, te kijken naar een paar boeken die Daisy net aan haar moeder had verkocht.

Terwijl ik het meisje vroeg om met haar moeder te praten, en de deur openstond, kwam er een vrouw met een dubieuze reputatie en beroep naar de deur. Ze vroeg wie ik was. Terwijl ik haar bedankte voor de genereuze bijdrage aan onze zuster Daisy, kunt u zich de gedachten in mijn hoofd voorstellen. Waarom zou juist deze vrouw zo’n grote donatie aan Daisy doen, en waarom zou ze überhaupt geïnteresseerd zijn in de boeken of in geestelijke zaken?

Mijn vragen werden snel beantwoord. … Ik vroeg haar of ik haar nog meer boeken kon geven, aangezien we andere boeken hadden, die ze niet had ontvangen, vooral omdat ze meer dan genoeg had gedoneerd. Ik vroeg ook of ik haar telefoonnummer kon krijgen, zodat de plaatselijke predikant gebeden, Bijbelstudies, enz. kon aanbieden.

Ze antwoordde, dat ze haar nummer niet zou geven voor Bijbelstudies, enzovoort, maar dat ze het wel om één reden zou geven: ze vertelde me, dat ze zo onder de indruk was van onze zuster Daisy, haar gedrag en haar verlangen om God te volgen en naar de zendingsschool te gaan, dat ze als alleenstaande ouder precies hetzelfde voor haar dochter wilde. Ze wilde, dat ik haar dochter zou opnemen in het colportageprogramma. Toen ik haar vertelde, dat haar dochter nog iets te jong was, beloofde ik, dat we haar toch zouden opnemen, en haar zouden komen ophalen, om met ons mee te gaan op verschillende uitstapjes in onze vrije tijd.

De vrouw zei toen, dat ik moest wachten, terwijl ze naar binnen ging om nog een papieren lunchzak vol geld te halen (nog eens ongeveer $350). Omdat ik die avond voor een week het programma moest verlaten, vertelden Daisy en de overgebleven verantwoordelijken me, dat ze het meisje een paar keer konden ophalen om haar mee te nemen op verschillende uitstapjes. Zo was het zaadje van het evangelie geplant.

Als ik terugdenk aan dit verhaal, moet ik denken aan het verhaal van Maria Magdalena, toen ze in het huis van Simon was. Deze vrouw was, net als Maria, bereid alles te geven wat ze had voor een kans om de eeuwige rijkdom van de genade van Gods koninkrijk voor haar dochter te verkrijgen. Tijdens onze pelgrimstocht, wanneer we langs de heggen anderen tegenkomen zoals deze vrouw en de man in het vorige verhaal, moeten we ons afvragen: “Ben ik, zijn wij, net als Simon de Farizeeër, vol oordeel en veroordeling, of zijn wij net als Christus?”

“De gastheer wendde zich af van hen, die zijn gastvrijheid hadden veracht en nodigde een groepering uit, die niet zelfvoldaan was, die geen huizen en landerijen bezat. Hij nodigde armen en hongerigen uit, die de overvloed die werd aangeboden, zouden waarderen. ‘De tollenaars en hoeren,’ had Christus gezegd, ‘gaan u voor in het koninkrijk Gods’ (Matthéüs 21:31). Hoe ellendig die menselijke wezens ook mogen zijn, die door anderen worden veracht en waarvan men zich afwendt, voor Gods aandacht en liefde zijn zij niet te laagstaand en te ellendig. Christus wil graag, dat door zorg geplaagde, vermoeide, verdrukte mensen tot Hem komen. Hij wil hen graag het licht, de blijdschap en vrede geven, die nergens anders te vinden zijn. Juist de zondaars zijn de voorwerpen van Zijn grote, oprechte liefde en medelijden.” –Lessen uit het Leven van Alledag, blz. 134.

Conclusie

Beste broeders, zusters en jonge mensen! Willen jullie gehoor geven aan de oproep om de verlorenen te zoeken en te redden?

De uitnodiging van het evangelie moet aan de hele wereld worden gegeven, “aan alle natie, en geslacht, en taal en volk.” (Openbaring 14:6). De laatste boodschap van waarschuwing en genade is om de hele aarde te verlichten met haar heerlijkheid. Ze moet alle lagen van de bevolking bereiken, rijk, arm, hoog en laag. “Ga uit in de wegen en heggen; en dwing ze in te komen, opdat mijn huis vol worde.” (Lukas 14:23). Een van de beste manieren om deze roeping te vervullen, is door uw kinderen, kleinkinderen, neven en nichten naar colporteurprogramma’s en zendingsscholen te sturen, waar ze getraind kunnen worden om het evangelie met vrijmoedigheid en liefde te delen. Ook u kunt gezegend worden en uw roeping vervullen door relaties op te bouwen met mensen in uw gemeenschap, of het nu rijke professionals, worstelende buren zijn of iemand anders, die ver van het geloof staat, door Christus’ liefde te tonen door middel van vriendelijke gebaren, praktische hulp, woorden van hoop, of gewoon door met empathie te luisteren. Deel middelen zoals voedsel, kleding of geestelijke lectuur met mensen, die misschien vergeten of verstoten worden door de maatschappij, en betrek ook de hoogopgeleide en invloedrijke mensen bij doordachte gesprekken over eeuwige waarheden. Door met iedereen om te gaan, zoals Christus deed, kunnen we hun vertrouwen winnen en hen uitnodigen voor het Grote Avondmaal.

Moge de Heer ieder van ons gebruiken, zowel door georganiseerde inspanningen als door persoonlijk getuigenis, om de Grote Opdracht (Matthéüs 28:19-20) uit te voeren en het licht van de wereld te zijn, terwijl we eropuit trekken en anderen uitnodigen voor het Grote Avondmaal. Amen!

Terug naar de uitgave