De Zevende Dags Adventisten van de Reformatie Beweging hebben een geloofsfundament dat, samen met bijbelse verwijzingen waar deze geloofsregels op gebaseerd zijn, als volgt wordt samengevat:

Er is slechts één God, de eeuwige Vader, de Schepper; een persoonlijk, geestelijk Wezen, oneindig in liefde en wijsheid, almachtig, alomtegenwoordig, alwetend, onsterfelijk.

Ex 20:2-3 | Jes 45:5-12 | Jes 45:18 | Jes 45:20-22 | Joh 4:24 | Ps 139:1-12

Jezus Christus is de Zoon van God, één in karakter met de Vader. Door Christus zijn alle dingen geschapen. Zijn goddelijk wezen afgelegd hebbende heeft Christus de menselijke natuur aangenomen, is vlees geworden en heeft op aarde geleefd als een mens zonder zonde, als voorbeeld voor ons. Hij is aan het kruis gestorven voor onze zonden, is weer opgestaan uit de doden en opgevaren naar de Vader, waar Hij leeft om voor ons te bemiddelen.

Heb 1:1-3 | Heb 1:5 | Kol 1:15-17 | Matt 1:18-23 | Joh 1:14 | 1 Tim 2:5 | 1 Tim 3:16 | Heb 7:25 | Joh 14:6 | Hand 4:12.

De Heilige Geest vertegenwoordigt Christus op aarde en beoogt hetzelfde doel als de Vader en de Zoon. Hij is de Vernieuwer in het verlossingswerk. Deze drie personen – God, de Vader; Jezus Christus, de Zoon; en de Heilige Geest – zijn de Godheid.

Joh 3:5-8 | Joh 14:16 | Joh 14:26 | Joh 16:7-13 | 1 Kor 2:10-11 | 2 Kor 13:14 | Matt 28:19

De Heilige Schrift, het Oude en het Nieuwe Testament, is het woord van God. Zij is door God geïnspireerd, bevat de gehele openbaring van Gods wil voor de mens en de enige onfeilbare regels van het geloof en handelen.

Joh 5:39 | 2 Pet 1:19-21 | 2 Tim 3:15-17 | Luk 11:28 | Luk 16:29 | Luk 16:31 | Matt 22:29 | Joh 10:35

De zedenwet, de tien geboden van Exodus 20:1-17, is een uitdrukking van Gods wil, omvat de plicht van de mens tegenover God en zijn medemens. De wet is onveranderlijk, bestemd voor alle mensen van iedere tijd en overtreft alle wetten van mensen. Overtreding van één van de geboden is zonde en het loon van de zonde is de dood. Wij worden niet gered door gehoorzaamheid aan de wet, maar door Christus om te gehoorzamen en om aan het oordeel te ontkomen.

Matt 5:17-20 | Matt 7:21 | Matt 19:17 | Matt 22:36-40 | 1 Joh 2:3-6 | 1 Joh 5:1-3 | Rom 2:13 | Joh 8:11 | Heb 10:26

Het vierde gebod van Gods zedenwet eist heiliging van de zevende dag, de Sabbat. Het is een heilige rustdag, een gedenkteken van de schepping en een teken van herschepping en verlossing maar ook van heiligmaking. Het is een geestelijke instelling, bestemd voor eredienst en geestelijke studie.

Luk 23:56 | Hand 13:42 | Hand 13:44 | Hand 16:13 | Hand 17:2 | Hand 18:4 | Hand 22:12 | Hand 25:7-8

Ware Sabbatheiliging eist onthouding van elk dagelijks werk vanaf vrijdag zonsondergang tot zaterdag zonsondergang. De voorbereiding voor de Sabbat moet voltooid zijn op vrijdag, voordat de Sabbat begint.

Lev 23:32 | Ex 16:22-23 | Luk 23:54 | Mar 16:1

Christus en de apostelen hebben altijd, vóór en na de kruisiging en opstanding, de Sabbat gevierd. Het is en blijft de ware rustdag. (Ananias en Paulus konden niet onschuldig zijn voor de Joden als zij geen trouwe Sabbatvierders waren).

Luk 23:56 | Hand 13:42 | Hand 13:44 | Hand 16:13 | Hand 17:2 | Hand 18:4 | Hand 22:12 | Hand 25:7-8

De eerste dag van de week, kortweg gezegd de zondag, was vroeger bestemd voor de aanbidding van de zon. Toen de christengemeente de ware grondregels uit de aposteltijd verliet, werd de zevende dag, de Sabbat, geleidelijk aan veranderd in de eerste dag. De zondag, samen met andere heidense instellingen, werd door de christelijke kerk aangenomen. De zondagheiliging wordt niet in de Bijbel gevonden.

Matt 15:9 | Matt 15:13

De ceremoniële wet van het Oude Testament, aan het Joodse volk gegeven, wijst op de Messias. Het typeert het werk van Christus en eindigt aan het kruis. De ceremoniële wet, die ceremoniële sabbatten bevat, Joodse vrije dagen, moet niet verward worden met de zedenwet en de Sabbat van het vierde gebod.

Heb 10:1 | Heb 10:9-10 | Kol 2:14 | Kol 2:16 | Gal 4:10-11

Genade betekent ‘onverdiende gunst’. Vanwege de zonde moet de mens de gevolgen dragen: de dood. God heeft Zijn liefde getoond door aan de zondige mens de onverdiende verlossing van de dood door Jezus Christus aan te bieden. De verlossing wordt verkregen, als zondaren getrokken worden tot Christus door: (a) het woord van God, (b) de Heilige Geest, en (c) de verkondiging van het evangelie.

Rom 10:13-18 | Joh 14:26 | Joh 16:13 | 2 Kor 5:17-20 | Hand 2:38-42

Om gered te worden van de zonde en de gevolgen daarvan moet de mens opnieuw geboren worden – een verandering van de levenswijze. Als iemand berouw heeft over zijn zonden en als hij zich overgeeft aan de werking van de Heilige Geest op zijn hart, krijgt hij een verlangen om Gods wil te gehoorzamen. De Bijbel noemt deze ervaring ‘wedergeboorte’. Het nieuwe leven, dat dan volgt, wordt onderhouden door ons geloof in Jezus Christus.

Matt 1:21 | Joh 3:3 | Rom 2:4 | Joh 16:8 | Hand 2:37-38 | 1 Joh 2:3 | 1 Joh 2:6 | Joh 16:13 | 1 Pet 1:22 | Ps 119:142 | Joh 17:17 | Gal 2:20 | Hebr 12:2 | Rom 1:17 | Fil 4:13

Zij, die de leeftijd om verantwoording te dragen bereikt hebben en ‘wedergeboren’ zijn, moeten gedoopt worden door onderdompeling in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Dit vertegenwoordigt het sterven, begraven en de opstanding van Jezus Christus, alsook het sterven van de ‘oude mens’ en de opstanding van de ‘nieuwe’ mens tot een nieuw leven in Christus.

Hand 2:38 | Mar 16:16 | Rom 6:3-9 | Kol 2:12

De voetwassing is een verordening tot nederigheid, die vooraf gaat aan het Heilig Avondmaal. Het is door Christus ingesteld en is gegeven aan de christelijke kerken om nederigheid te leren, gelijkheid, broederlijke liefde en eenheid in Christus. Verzoening tussen broeders en zusters moet vooraf gaan aan deze dienst.

Joh 13:1-17 | Matt 5:23-24

Door deel te hebben aan het ongegiste brood en de niet gefermenteerde wijn, die het lichaam en bloed van Jezus Christus vertegenwoordigen, gedenkt de gelovige aan het lijden en sterven van Jezus Christus. De betekenis van deze verordening houdt in, dat alleen leden, die goed en recht verbonden zijn met het lichaam van Christus, eraan deel kunnen nemen.

Matt 26:26-28 | 1 Kor 10:16-17 | 1 Kor 12:20 | Luk 22:11 | 1 Kor 11:23-29

De profetie van de 2300 dagen (jaren, zie Numeri 14:34 en Ezechiel 4:6) van Daniel 8:14 eindigden in 1844, toen de ‘reiniging van het heiligdom’ of het onderzoekend oordeel begon. Dit verwijst naar het onderzoek van de hemelse boeken van de levens van de belijdende kinderen van God door alle eeuwen heen. Het resultaat van dit onderzoek bepaalt het lot van iedere ziel, eeuwig leven of de eeuwige dood.

Pre 12:14; Dan 7:9-10; Luk 20:35; Op 14:6-7; Op 22:12
Dit onderzoek wordt uitgebeeld in Matt 22:11-14

De drie engelboodschappen van Openbaring 14:6-12 samen met de boodschap van de andere engel in Openbaring 18:1-4, zijn de tegenwoordige waarheid. Deze boodschappen moeten een speciale groep mensen voorbereiden, 144.000, op de tweede komst van Christus.

Ezek 9:1-7 | Op 7:1-4 | Op 14:1-12 | Op 18:1-4

In verband met de belofte van God in Handelingen 2:17-21 is de gave van de profetie weer gegeven aan Christus’ kerk in de laatste tijd, niet als een plaatsvervanger van of als toevoeging aan de Bijbel, maar als een gids en een onderscheidingsteken van Gods overblijvend volk. De geïnspireerde geschriften vestigen onze aandacht op de principes van de Bijbel als onze richtlijnen voor geloof en handelen en als hulp om ons te beschermen voor verkeerd uitleggen van Gods Woord.

Num 12:6 | 2 Kron 20:20 | Spr 29:18 | Hos 12:13 | Amos 3:7 | Efeziers 4:8-11| 1 Thess 5:20-21

Het huwelijk is door God ingesteld en door Christus geëerd om beide partijen levenslang te verbinden. Noch scheiden om weer te hertrouwen, noch alleen een wettig huwelijk, noch een huwelijk met ongelovigen valt onder de goddelijke richtlijn voor het huwelijk.

Luk 16:18 | Rom 7:1-3 | 1 Kor 7:11 | 1 Kor 7:29 | 2 Kor 6:14

Omdat het lichaam van een christen een tempel is van de Heilige Geest, zullen zij hun gezondheid willen beschermen door de natuurwetten na te volgen. Gezondheidverwoestende voedingsartikelen en ongezonde levensgewoonten vermijden en matig zijn bij het gebruiken van dingen die goed zijn.

1 Kor 3:16-17 | Fil 4:5

De wijze van kleden is een uiting van het karakter. Christelijke zedigheid en zelfrespect eisen van ons, dat wij ons onthouden van de buitensporige mode van de wereld.

1 Pet 3:1-5 | Jes 3:16-24 | 1 Kor 11:15 | 1 Tim 2:9

Een christen is verplicht de goddelijke en de menselijke autoriteit te respecteren. Hij gehoorzaamt al de rechtvaardige wetten van aardse regeringen vanuit een goed geweten. Als de wetten van mensen in strijd zijn met de wet van God, dan moet de christen bij zichzelf beslissen: Moet ik God of mensen gehoorzamen? Ons christelijk geweten verbiedt ons deel te nemen aan activiteiten van een of andere partij.

Matt 22:21 | Rom 13:3-7 | 1 Pet 2:17 | Hand 5:29 | 2 Kor 6:14-17 | Jes 8:12

De gemeente van Christus is een zichtbaar en georganiseerd lichaam, geen apart staande mensen. De gemeente laat een gedeelte van haar autoriteit over aan gekozen beambten, niet om de hoogste te zijn, maar om de gemeente te dienen en het lichaam van Christus op te bouwen. De gemeente heeft de autoriteit om leden door de doop en openlijke belijdenis van het geloof aan te nemen en om leden, niet zonder reden, uit te sluiten.

Joh 10:16 | Joh 11:52 | 1 Kor 10:17 | 1 Kor 12:12-27 | 1 Pet 2:5 | Efeziers 4:15-16 | Kol 2:18-19 | Op 1:20 | Hooglied 6:10 | Efeziers 4:11-13 | Hand 6:1-6 | Hand 13:3 | Hand 20:28 | 1 Pet 5:1-5 | Matt 16:19 | Matt 18:15-18 | 1 Kor 5:11 | 1 Kor 5:13

Het geven van tienden en gaven ter ondersteuning van het verkondigen en preken van het Evangelie is een christelijke plicht.

Mal 3:7-10 | Matt 23:23 | 1 Kor 9:14 | 2 Kor 9:6-7 | Hebr 7:8

Het onderzoek van de mens wordt kort voor de tweede komst van Christus afgesloten, deze zal letterlijk, persoonlijk, zichtbaar, hoorbaar en algemeen zijn.

Luk 13:23-25 | Luk 17:29-30 | Jes 11:4 | Jes 66:17 | 2 Thess 1:6-10 | Matt 24:27 | Matt 24:31 | Joh 14:1-3 | Hand 1:9-11 | 1 Thess 4:15-17 | Op 1:7

De hand van God heeft de mens als een levende ziel geschapen. Door ongehoorzaamheid is hij gescheiden van de bron des levens. Daardoor is hij van nature sterfelijk, maar hij kan door Christus onsterfelijkheid verkrijgen, naar de belofte, onmiddellijk en in werkelijkheid bij Zijn tweede komst.

Gen 2:7 | Gen 3:22-24 | Job 4:17 | 1 Joh 2:25 | Joh 11:25-26 | Rom 2:7 | 2 Tim 1:10 | 1 Kor 15:53-54

De dood is, of men nu goed of slecht is, als een ‘slaap’, een toestand van onwetendheid en stilte en zonder activiteiten. De doden rusten in het graf tot de opstanding van rechtvaardigen en onrechtvaardigen. De onrechtvaardigen bevinden zich niet op een plaats waar gekweld wordt, maar worden bewaard tot de dag van het oordeel om gestraft te worden. En de rechtvaardigen zijn niet in de hemel, maar rusten in het graf tot de opstanding bij de komst van Christus.

Pre 9:5-6 | Pre 9:10 | Ps 6:5 | Ps 146:4 | Ps 89:48 | Op 20:13 | 2 Pet 2:9 | Joh 5:28-29 | Dan 12:13 | Hand 2:29 | Hand 2:34 | 2 Tim 4:7-8

Na de tweede komst van Christus zal er een periode zijn van duizend jaar, het zogeheten duizendjarig rijk. Gedurende deze tijd, terwijl de rechtvaardigen in de hemel met Christus zijn, verblijven de goddelozen in het stof van de verlaten aarde. Terwijl de aarde woest en ledig is, zullen de rechtvaardigen de goddelozen oordelen. Aan het eind van de duizend jaar worden de goddelozen opgewekt om door vuur vernietigd te worden.

Joh 14:3 | Op 7:9 | Op 14:1 | Op 20:4-5 | Ps 46:2 | Ps 46:8 | Jes 24:1-6 | Jer 4:23-27 | 1 Kor 6:2-3 | Op 20:4 | Joh 5:29 | Op 20:5 | Op 20:9 | Op 20:14 | Mal 4:1, 3 | Matt 10:28 | 2 Pet 3:7-10 | Ps 37:10.

Na de reiniging van de aarde van de zonde door vuur zal God alle dingen nieuw maken, de aarde weer herstellen tot de schoonheid van Eden. Deze nieuwe aarde zal dan het eeuwige tehuis worden van de verlosten om met God te heersen als oppermacht onafgebroken tot in eeuwigheid.

2 Pet 3:13 | Op 21:1-7 | Matt 5:5 | 1 Kor 2:9