Van de Redactie: Ze wachten op ons
De meesten van ons zijn bekend met de ervaring van Filippus, toen hij werd uitgenodigd om te spreken met een invloedrijke man uit Ethiopië. “En een engel des Heren sprak tot Filippus zeggende: Sta op en ga tegen het zuiden, op de weg, die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, welke woest is. En hij stond op en ging heen. En ziet, een Moorman, een kamerling, een machtig heer van Candacé, de koningin der Moren, die over al haar schat was, die gekomen was om aan te bidden te Jeruzalem. En hij keerde weer, en zat op zijn wagen, en las de profeet Jesaja. Toen de Geest zeide tot Filippus: Ga toe, en voeg u bij deze wagen. En Filippus liep toe, en hoorde hem de profeet Jesaja lezen, en zeide: Verstaat gij ook, hetgeen gij leest? En hij zeide: Hoe zou ik toch kunnen, zo mij niet iemand onderricht? En hij bad Filippus, dat hij zou opkomen, en bij hem zitten… En Filippus deed zijn mond open, en beginnende van die zelfde Schrift, verkondigde hem Jezus” (Handelingen 8:26-31, 35).
Dit is niet zomaar een verhaal, maar een waar historische gebeurtenis. Denken we er altijd aan hoe relevant het voor ieder van ons is op dit moment?
“Deze Ethiopiër vertegenwoordigt een grote klasse van mensen, die de onderwijzing behoeven van zendelingen zoals Filippus, mannen die naar de stem van God willen luisteren en die gaan waarheen Hij hen zendt. Velen zijn er die de Schriften lezen, maar de ware betekenis niet kunnen begrijpen. Over de gehele wereld zien mannen en vrouwen verlangend op naar de hemel. Gebeden, tranen en vragen stijgen op uit zielen, die hunkeren naar licht, naar genade, naar de Heilige Geest. Velen staan op de drempel van het Koninkrijk, wachtend om binnengehaald te worden.
Een engel zond Filippus naar iemand, die zocht naar licht en die bereid was het evangelie aan te nemen. Ook nu willen engelen de schreden leiden van die arbeiders, die de Heilige Geest willen toestaan hun tongen te heiligen en hun harten te louteren en te veredelen. De engel die tot Filippus gezonden was, had zelf het werk voor de Ethiopiër kunnen doen, maar dit is niet de wijze waarop God werkt. Het is Zijn opzet, dat mensen voor hun medemensen zullen arbeiden.
In alle tijden hebben de gelovigen een aandeel gehad in het aan de eerste discipelen toevertrouwde ambt. Aan een ieder, die het evangelie heeft aanvaard, is een heilige waarheid toevertrouwd om deze aan de wereld mee te delen. Gods getrouwe volk bestond steeds uit ondernemende zendelingen, die hun rijkdommen offerden tot eer van Zijn naam, en die hun talenten wijselijk in Zijn dienst besteedden.
Het onzelfzuchtige werk van christenen in het verleden moet ons tot voorbeeld en bezieling strekken. De leden van Gods gemeente moeten krachtig streven naar goede werken, zich losmaken van wereldse grootheid en wandelen in de voetstappen van Hem, die rondging, weldoende. Met harten vervuld van sympathie en medelijden moeten zij de noodlijdenden dienen en de zondaren de kennis van ’s Heilands liefde brengen. Zulk een werk vereist moeizame krachtsinspanning. Maar geeft rijke beloning. Degenen, die met oprechte bedoelingen het werk op zich nemen, zullen zielen voor de Heiland gewonnen zien, want de invloed die de daadwerkelijke uitvoerder van de goddelijke opdrachten vergezelt, is onweerstaanbaar.
De verantwoordelijkheid om uit te gaan en deze opdracht te vervullen rust niet slechts op de ingezegende prediker. Ieder die Christus heeft aangenomen is geroepen om voor het heil van zijn medemensen te arbeiden.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 79-80.
“Dat de opdracht van de Heiland gegeven is aan allen die in Zijn naam geloven. God zal velen in Zijn wijngaard zenden, die niet door handoplegging tot het predikambt werden afgezonderd.” –Van Jeruzalem tot Rome, blz. 83.